|
|
Hypotheken
zijn wel de meest bekende vorm van
leningen. Het is in verschillende
opzichten een speciaal soort lening. Een
hypotheek is het bedrag dat u leent voor
de aankoop van een onroerend goed (meestal
een huis), met dat onroerend goed als
onderpand. U leent het geld van een
bank. Met dat geld koopt u het huis, dat
daarmee uw eigendom wordt. Tegelijk is
het huis onderpand: als u rente en
aflossing niet betaalt kan de bank het
huis verkopen om zo zijn geld terug te
krijgen.
Voordat de bank een hypotheek verstrekt,
wordt gekeken naar twee zaken: uw
inkomen ("kunt u rente en aflossing
betalen") en de waarde van het huis ("brengt
het in geval van nood genoeg op"). De
bank heeft op die manier meer zekerheid,
de rente kan dus redelijk laag zijn
vergeleken met bijvoorbeeld een
persoonlijke lening.
Daarnaast is de rente van een hypotheek
(niet de aflossing!) aftrekbaar voor de
belasting. Dat bespaart u veel geld:
tussen de 32 en de 52% van de
rentekosten (afhankelijk van uw inkomen;
hoe hoger het inkomen, hoe meer voordeel).
Soms is een een flink verschil ontstaan
tussen de werkelijke waarde van een
woning en de resterende hypotheekschuld
(er is dan overwaarde). U kunt dan uw
hypotheek verhogen en zo aan extra geld
komen. U moet dan per maand wel meer
gaan afbetalen. Doet u dat wel met zorg:
de wijziging van de hypotheek brengt
kosten met zich mee. De rente op die
extra hypotheek is alleen als
hypotheekrente aftrekbaar van de
belasting als u het geld gebruikt voor
het onderhoud van uw eigen (eerste)
woning. Gebruikt u het geld voor de
aanschaf van een auto of iets anders,
dan is de rente niet aftrekbaar.
WOZ-krediet. Heeft u overwaarde
op uw eigen huis, dan kunt u ook gebruik
maken van een WOZ-krediet. Dit is een
goed alternatief voor een tweede
hypotheek. U hoeft namelijk niet naar de
notaris, de WOZ-opgave van de gemeente
is voldoende. En de rente is meestal
lager dan van een doorlopend krediet.
Bovendien kunt u het opgenomen bedrag
vrij besteden. U hoeft dit dus niet aan
uw huis te spenderen.
Een
hypotheek wordt doorgaans afgesloten
voor een langere tijd. Meestal voor 30
jaar. In zo'n lange periode kan er in uw
leven heel wat veranderen. Uw financiële
positie van nu kan er in de toekomst
anders uitzien. Bij het afsluiten van
een hypotheek moet u ver vooruit kijken.
Er zijn honderden hypotheekvarianten.
Maar eigenlijk allemaal afgeleid uit een
aantal hoofdvormen, die ieder hun eigen
voor- en nadelen kennen:
Beleggingshypotheek
Er zijn
twee vormen van hypotheken in Nederland
die worden aangeduid met de term
beleggingshypotheek.
Lening met beleggingen in een
kapitaalverzekering
De eerste is feitelijk een
levenhypotheek, waarbij naast de
aflosvrije lening een
kapitaalverzekering loopt (vaak een
gemengde levensverzekering; dekking bij
overlijden én bij leven). Daarin wordt
gespaard voor een aflossing aan het
einde van de looptijd van de lening,
meestal 30 jaar. Het spaarvermogen in de
verzekering wordt belegd in effecten.
Dit gebeurt doorgaans in fondsen van de
verzekeraar, zodat de beleggersrol van
de geldnemer beperkt is tot het kiezen
van de fondsen die de verzekeraar in de
verzekering aanbiedt. De bank krijgt een
pandrecht op de verzekering. De
uitkering van de verzekering wordt na 30
jaar aangewend voor de aflossing van de
geldlening. Zoals alle levenconstructies
is deze opzet fiscaal gedreven: er wordt
niet afgelost op de geldlening, maar
gespaard om na 30 jaar in één keer de
volledige lening af te lossen. Hierdoor
wordt de hypotheekrenteaftrek maximaal
benut. Het vermogen dat in de
verzekering is belegd, kan niet worden
opgenomen door geldnemer. Slechts
wanneer de verzekering wordt beëindigd
komt dit vermogen vrij.
Lening met
verpand effectendepot / belegrekening
De tweede vorm is eveneens een
aflosvrije lening, met een daaraan
verpand effectendepot. Dit kan een door
geldnemer zelf opgebouwde
beleggingsportefeuille zijn. Het kan ook
een belegrekening zijn waar bij aanvang
van de lening een storting op wordt
gedaan. Bij het aangaan van de lening
wordt naast de hypotheekakte ook een
akte van verpanding getekend, waardoor
de geldnemer niet zonder meer aan het
belegde vermogen kan komen.
Een bijzondere variant van deze vorm van
beleggingshypotheek laat wél toe dat het
belegde vermogen wordt aangesproken. Men
veronderstelt dan dat het rendement van
de beleggingen zo goed is dat dit deels
(naast sparen voor aflossing) kan worden
aangewend voor het betalen van de
maandlasten. In de praktijk betekent dit
dat de beleggingshorizon voor het
belegde vermogen aanzienlijk korter is
dan bij de levenvariant (de eerste
onttrekkingen voor de maandlast vinden
al plaats in de eerste maand na aangaan
van de lening), zodat het te verwachten
rendement op de beleggingen veel lager
uitkomt dan wanneer het geld jaren "op
de plank kan liggen". Deze risicovolle
wijze van woningfinancieren maakt dat de
maandlast van de geldnemer direct
afhangt van de beurskoersen.
Minimaal belegd vermogen, minimumeis bij
kredietverstrekking
De geldverstrekker zal eisen stellen aan
het minimaal te sparen vermogen.
Doorgaans stelt de bank dat er ten
minste zoveel gespaard moet worden dat
met de uitkering van de verzekering/beleggingen
de lening teruggebracht kan worden tot
minder dan 75% van de executiewaarde van
het onderpand. Dit geldt zowel voor de
verzekeringsvariant als voor de losse
beleggingsvariant. Voor het bepalen van
het vermogen dat nu moet worden gestort
om in de toekomst minimaal op een
bepaald bedrag uit te komen, zal een
veronderstelling moeten worden gedaan
over het rendement van de beleggingen.
De hoogte van dit rekenrendement is
afhankelijk van de regels van de
kredietverstrekker. Stichting
Waarborgfonds Eigen Woning (NHG) stelt
dat dit rendement ten hoogste op 8% mag
worden gesteld. Deze norm is door veel
geldverstrekkers overgenomen. Een aantal
banken hanteert striktere normen, bij
voorbeeld maximaal 6,5% rendement per
jaar.
Beleggen in verzekering;
kapitaalverzekering eigen woning
Bij een beleggingshypotheek op basis van
een levensverzekering kan de polis
worden aangemerkt als "Kapitaalverzekering
Eigen Woning (KEW)". Geldnemer/verzekeringnemer
kan de polis als zodanig aanmerken bij
de aangifte IB. Daardoor hoeft over het
vermogen in de polis geen
vermogensrendementsheffing te worden
betaald. Als de polis uitkeert verliest
geldnemer het recht op
hypotheekrenteaftrek voor een bedrag
gelijk aan de uitkering. De keuze voor
een KEW is niet mogelijk wanneer de
beleggingen in een los depot worden
gehouden, er dient sprake te zijn van
een verzekering. De
vermogensrendementsheffing bedraagt per
saldo 1,2% over het belegd vermogen, die
afgaat van het netto rendement van de
belegging. Wanneer het rendement 5%
bedraagt betekent dit dus een verlaging
van het rendement met bijna een kwart.
Beleggingsfondsen, stijl, kosten
Beleggingsfondsen hebben een bepaalde
stijl van beleggen. Het te verwachten
rendement, én het te verwachten risico
van een fonds hangen in belangrijke mate
van deze stijl af. Daarnaast spelen de
kosten van de fondsbeheerder een
belangrijke rol. De kosten van dit
beheer variëren van circa 1% tot
meerdere procenten per jaar. Deze kosten
gaan af van het rendement van de
beleggingen.
Levenhypotheek
Aflossingsvrije hypotheek
Bij een
aflossingsvrije hypotheek is er vooraf
geen datum overeengekomen waarop de
hypotheeklening volledig terugbetaald
moet zijn.
Doorgaans wordt er niet maandelijks op
de lening afgelost. In plaats daarvan
wordt er vaak afgelost bij de verkoop
van het onderpand. Net als bij de
annuïteitenhypotheek blijven de
maandelijkse lasten constant zolang de
rente gelijk blijft.
Omdat er niets wordt afgelost levert de
aflossingsvrije hypotheek geen
bescherming tegen renteverhogingen, bij
een stijging van de rente kunnen de
maandlasten sterk toenemen. Het voordeel
van een aflossingsvrije hypotheek is
echter dat de maandelijkse lasten in het
begin lager zijn dan bij een
annuïteitenhypotheek of een lineaire
hypotheek.
|
|
Annuïteitenhypotheek
Een
annuïteitenhypotheek is een hypotheek waarbij
elke termijn het aflossingsbedrag zo wordt
gekozen, dat de totale betaling (de som van
rente en aflossing) elke keer gelijk is, en
zodanig dat aan het einde van de looptijd de
gehele hypotheeklening is terugbetaald.
Een dergelijk aflossingstype wordt annuïteit
genoemd.
Het aflossingsbestanddeel is in het begin zeer
laag, doch neemt toe, naarmate de looptijd van
de lening verstrijkt. Voor het rentebestanddeel
geldt het omgekeerde.
Wanneer, zoals in Nederland, het renteaandeel
kan worden afgetrokken van het belastbaar
inkomen, neemt de totale netto woonlast
gedurende de looptijd van een
annuïteitenhypotheek langzaam toe. Vanwege
geldontwaarding en carrière-ontwikkeling kan men
de lasten waarschijnlijk toch goed blijven
dragen.
Een annuïteitenhypotheek heeft geen ingebouwde
veiligheid tegen renteverhogingen. Wanneer na
een aantal jaren de rente wordt verhoogd, moet
opeens een veel hogere last worden betaald. Hier
moet bij het afsluiten van een
annuïteitenhypotheek rekening worden gehouden:
men moet geen hypotheek van dit type afsluiten
tegen de top van wat men kan betalen, of men
moet kiezen voor een rentevastperiode gelijk aan
de looptijd van de lening.
Lineaire hypotheek
Een
lineaire hypotheek is een vorm van een
hypothecaire geldlening. Bij een lineaire
hypotheek wordt de lening gelijkmatig afgelost
(per periode (meestal een maand) een gelijk
bedrag). De verschuldigde rente per periode
wordt berekend over het nog openstaande saldo.
De totale te betalen lasten (rente en aflossing)
zijn daarmee aan het begin van de looptijd
relatief hoog, doch laten gedurende de looptijd
een gelijkmatige daling zien.
Lasten van een lineaire hypotheek van €
200.000,-- en 6% rente
De afnemende lasten vormen een gedeeltelijke
zekerheid tegen renteverhogingen: wanneer na een
aantal jaren de rente wordt verhoogd zijn de
totale lasten vaak toch niet hoger dan aan ze
het begin waren. Een lineaire hypotheek is
geschikt voor diegenen die de maandlast willen
zien afnemen.
Het aflossingsbedrag wordt berekend door het
leningbedrag te delen door de gehele looptijd
van de lening. Bij een leningbedrag van €
200.000,-- en een looptijd van 30 jaar, dan is
de aflossing € 556,-- per maand.
|
|
Spaarhypotheek
Een
spaarhypotheek is een constructie waarmee men
een eigen woning kan financieren. De hypotheek
bestaat uit een combinatie van een (hypothecaire)
geldlening en een gemengde levensverzekering.
De geldlening wordt verstrekt onder voorwaarde
dat de bank een recht van hypotheek op het
betreffende onderpand krijgt, én dat aan de bank
een pandrecht wordt gegeven op de
levensverzekering. Dit pandrecht wordt meestal
mede vastgelegd in de akte van hypotheek.
De verzekering is gemengd, wat betekent dat er
een dekking is bij overlijden én bij leven. Een
uitkering wordt gedaan wanneer de geldnemer/verzekerde
overlijdt tijdens de looptijd van de lening, of
wanneer de geldnemer/verzekerde nog in leven is
op de einddatum van de lening. De verzekering
keert dus altijd uit. Met deze uitkering wordt
uiteindelijk de geldlening afgelost. Koopt men
de woning met z'n tweeēn, dan kunnen beiden
worden verzekerd bij overlijden.
Bijzonder aan de spaarhypotheek is de wijze
waarop het vermogen, dat aanwast in de polis,
rendeert. Het vermogen in de polis krijgt een
door de verzekeraar gegarandeerd rendement dat
gelijk is aan de hypotheekrente die door de bank
wordt gerekend over de geldlening. Als de rente
op de lening 6% bedraagt, is ook het rendement
op de spaarpolis 6%. Verandert aan het eind van
een rentevaste periode de rente van de lening,
dan verandert ook het rendement van de polis. In
de praktijk betekent dit dat wanneer men meer
rente moet betalen aan de bank, de premie voor
de spaarverzekering daalt, en omgekeerd. Dit
wordt de rentedempende werking van de
spaarhypotheek genoemd.
Wanneer tijdens de looptijd van de lening de
rente wijzigt, zal de verzekeraar de premie
automatisch aanpassen. In de meeste gevallen zal
bij een rentedaling van de lening (en dus een
premiestijging bij de polis) de gezamenlijke
nettolast dalen. Toch kan een rentedaling ook
ongunstig uitpakken, vooral wanneer de polis al
wat ouder is en er relatief veel vermogen in de
polis zit. Een rentedaling leidt dan tot een
daling van het rendement. De jaarlijkse
bijschrijving van dit rendement zal in absolute
zin behoorlijk afnemen. Deze afname zal door de
premiebetaling moeten worden gecompenseerd, die
daardoor in een extreem geval zelfs kan
verdubbelen. Dit kan voorkomen worden door bij
oudere spaarpolissen niet voor korte
rentevastperiodes te kiezen.
Fiscaal motief, vergelijk met annuïteit
Doordat het vermogen aanwast in de verzekering,
en er niet wordt afgelost op de geldlening,
wordt het voordeel van hypotheekrenteaftrek
maximaal benut. De opbouw van het vermogen van
de geldnemer is (bij gelijke rente) gelijk aan
de opbouw bij een annuïteiten hypotheek. Een
spaarpolis (duur 30 jaar) bevat na circa 21 jaar
de helft van het doelvermogen, bij een
annuïteiten hypotheek (duur 30 jaar) is in
dezelfde periode de helft van de lening afgelost.
Het verschil tussen een spaarhypotheek en een
annuïteiten hypotheek zit vooral in het feit dat
er bij de annuïteiten hypotheek direct op de
woningschuld wordt afgelost, terwijl dit bij een
spaarhypotheek niet het geval is: daar wordt de
aflossing uitgesteld en vindt de opbouw van het
vermogen plaats in de verzekering, dus zonder
dat de hypotheekrenteaftrek wordt ingeperkt. Bij
gelijke bedragen en rentes betekent dit dat een
geldlening op annuïteitenbasis over een looptijd
van 30 jaar netto per maand duurder is dan een
spaarhypotheek, hoewel de annuïteit bij aanvang
iets goedkoper is. Doordat het belastingvoordeel
bij een annuïteit steeds kleiner wordt (de "eigenwoningschuld"
neemt af) heeft de spaarhypotheek na ongeveer 3
jaar een lagere netto maandlast. De bruto
maandlast is bij de spaarhypotheek steeds hoger
dan bij de annuïteit (duur 30 jaar).
Wanneer de totale kosten over 30 jaar van de
annuïteit en de spaarhypotheek worden vergeleken,
geldt ook dat de spaarhypotheek bruto duurder,
maar netto goedkoper is. Een kostenvergelijking
tussen beide vormen is beperkt geldig. De
fiscale situatie van de geldnemer speelt een rol
(hoogte inkomen, WOZ-waarde van de woning,
pensioenleeftijd en pensioeninkomen), evenals
diens leeftijd (kosten levensverzekering).
Bovendien rekent het merendeel van de aanbieders
bij een spaarhypotheek een rente over de
geldlening die 0,2% hoger is dan bij andere
vormen.
Bij de volgende vergelijking is uitgegaan van
een duur van 30 jaar, een geldnemer van 29 jaar
oud, een WOZ-waarde van EUR 100.000, een rente
van 6,0% voor de spaarhypotheek en 5,8% voor de
annuïteit, en een inkomen van EUR 45.000. Bij de
kosten van de annuïteit is de premie voor een
annuïtair dalende risicoverzekering meegenomen,
zodat er een vergelijkbare dekking bij
overlijden is.
In die situatie geldt:
Een spaarhypotheek van EUR 100.000 kost over de
hele looptijd bruto circa 222.000 en netto
157.000 euro.
Een annuïteitenhypotheek van EUR 100.000 kost in
dezelfde periode bruto circa 212.000 en netto
176.000 euro.
Grofweg kan worden gesteld dat wanneer de
belastingdruk bij de geldnemer toeneemt (bijvoorbeeld
bij een hoger inkomen) het verschil in de
nettokosten toeneemt, ten gunste van de
spaarhypotheek. Voor de geldnemer zijn bij de
vergelijking zowel de netto- als de brutokosten
belangrijk: een geldnemer moet in staat zijn de
brutokosten te dragen, maar moet tegelijk ook
rekening houden met mogelijke fiscale voordelen.
Voortzetten polis na aflossen hypotheek
Het mechanisme, waarbij het rendement op de
verzekering gelijk is aan de hypotheekrente van
de bank, bestaat door een zogenaamd
"arrangement" tussen de bank en de verzekeraar
die samen de spaarhypotheek aanbieden. Dit
betekent dat de verzekering niet als spaarpolis
kan voortbestaan zonder meeverbonden geldlening:
als de lening wordt afgelost, wijzigt het
rendement naar een soort basisrente, die vaak
lager ligt dan het oorspronkelijke rendement.
Daardoor zal de premie van de polis omhoog gaan,
of het spaardoel van de polis zal niet worden
gehaald op de beoogde einddatum. Ook betekent
dit dat een verzekering van een spaarhypotheek
bij de ene bank niet zonder meer kan worden
voortgezet als onderdeel van een spaarhypotheek
bij een andere bank. De meeste banken werken
slechts met één verzekeraar samen.
Wanneer een geldnemer een volgende eigen woning
koopt, en de lopende spaarhypotheek wil
voortzetten bij een andere bank, is er de
mogelijkheid van de "fiscaal geruisloze
voortzetting". Er wordt dan bij de nieuwe bank/spaarhypotheek
een nieuwe spaarpolis gestart, die de einddatum
heeft van de oude polis. De oude spaarpolis
wordt beëindigd. Daarbij wordt de waarde van de
oude polis door de oude verzekeraar direct
overgemaakt naar de nieuwe verzekeraar, dus
zonder dat verzekeringnemer over het geld kan
beschikken. Deze 'overdrachtswaarde' wordt in
één keer in de nieuwe polis gestort. Anders
gezegd: de nieuwe polis gaat verder alsof het de
oude polis is, maar bij een andere maatschappij
en dus ook met een andere premie en met andere
kosten.
Op het polisblad van de nieuwe polis komt een
clausule te staan die aangeeft dat de nieuwe
polis "een voortzetting is van de oude polis met
polisnummer [...]". Deze clausule is in de
eerste plaats van belang omdat er bij aanvang
van de nieuwe polis een grote som geld in
gestort wordt. Normaal kan dit niet zomaar
wanneer een polis wordt gestart; de fiscus stelt
eisen aan de wijze van premiebetalen, waarbij
met name grote stortingen slechts onder
voorwaarden zijn toegestaan. Op sommige
spaarpolissen is een fiscaal overgangsregime van
toepassing, op grond waarvan deze polissen
fiscaal gunstiger kunnen worden behandeld. Dit
is met name het geval bij polissen die een
ingangsdatum hebben vóór 14 september 1999, en
die nog geen "kapitaalverzekering eigen woning"
zijn. Deze polissen moeten in box 3 worden
geplaatst bij aangifte IB, maar zijn daar
vrijgesteld van vermogensrendementsheffing voor
de eerste EUR 123.000 (bij twee
verzekeringnemers EUR 246.000). Dit
overgangsregime, dat voor de verzekeringnemer
gunstig is, blijft bij een voortzetting alleen
behouden wanneer de verzekerde bedragen niet
worden verhoogd, en de verzekeringsduur niet
wordt verlengd.
De redactie van de nieuwe polis (begin- en
einddatum, clausule voortzetting, hoogte
verzekerde bedragen) komt dan ook nauw. De
nieuwe verzekeraar zal informatie moeten
ontvangen over het verleden van de oude polis,
waaronder een kopie van het oude polisblad, maar
ook een opgaaf van de oude verzekeraar van de
wijze waarop aan de polis premie is betaald.
Sparen in een verzekering; kapitaalverzekering
eigen woning
Bij een hypotheek op basis van een
levensverzekering kan de polis worden aangemerkt
als "Kapitaalverzekering Eigen Woning (KEW)". De
geldnemer/verzekeringnemer kan de polis als
zodanig aanmerken bij de aangifte IB. Daardoor
hoeft over het vermogen in de polis geen
vermogensrendementsheffing te worden betaald.
Als de polis uitkeert verliest de geldnemer het
recht op hypotheekrenteaftrek voor een bedrag
gelijk aan de uitkering. De
vermogensrendementsheffing bedraagt per saldo
1,2% over het belegd vermogen, die afgaat van
het netto rendement van de belegging. Wanneer
het rendement 5% bedraagt betekent dit dus een
verlaging van het rendement met bijna een kwart. |
|
     
|
|